headerImage1 headerImage2 headerImage3 headerImage4 headerImage5
Laat je e-mail adres achter voor toekomstige informatie

pageImage

Erfelijkheid en meerlingen


We gaan er vanuit dat eeneiige meerlingen genetisch identiek zijn; dat wil zeggen dat er geen verschillen zijn tussen het erfelijk materiaal van het ene en het andere individu van een tweeling (of grotere meerling). De laatste jaren wordt hier veel onderzoek naar gedaan, waaruit blijkt dat inderdaad verreweg de meeste eeneiige meerlingen genetisch identiek zijn. Meer-eiige meerlingen (twee-eiige tweelingen, twee- en drie-eiige drielingen etc.) lijken gemiddeld genetisch net zoveel op elkaar als twee willekeurige broers en/of zussen.

Naast erfelijke factoren delen meerlingen meestal ook een deel van de omgevingsinvloeden. Zowel tijdens de zwangerschap als na de geboorte is dat soms meer het geval dan bij willekeurige broers en zussen.

De overeenkomst in erfelijk materiaal tussen meerlingen van een meerlingpaar zorgt voor veel overeenkomsten tussen eeneiige meerlingen, zoals vaak gezien wordt in haarkleur, kleur van de ogen en bijvoorbeeld het doorkomen van tanden. Voor veel van deze uiterlijke kenmerken geldt dat niet één erfelijke factor bepalend is maar een combinatie van meerdere erfelijke factoren. Daardoor lijken willekeurige broers of zussen (geen eeneiige meerling) ook zelden als twee druppels water op elkaar.

Veel aandoeningen (ziekten) worden (deels) genetisch bepaald. De mate waarin erfelijkheid een rol speelt verschilt sterk van aandoening tot aandoening (of klachten of verschijnsel). Op basis van het erfelijk materiaal kan sprake zijn van een licht verhoogde gevoeligheid voor het krijgen van een ziekte tot een sterke erfelijke aanleg waarbij een ziekte vrijwel altijd tot uiting komt.

Omdat eeneiige meerlingen genetisch identiek zijn, is de mate waarin een aandoening erfelijk is sterk bepalend voor de kans dat de aandoening bij beide meerlingen tot uiting komt. Er moet daarbij gekeken worden naar de totale optelsom van erfelijke factoren.

Bij beantwoording van de vraag “mijn zus heeft ziekte X, zijn bij mij controles nodig?” moet bij eeneiige meerlingen daarom eerst beoordeeld worden of er een sterke erfelijke aanleg aanwezig is en moet  vervolgens de totale mate waarin de ziekte erfelijk is betrokken worden.